Vrome monniken hadden de zandplaat Griend versterkt door wallen en dijken en hadden er een school gesticht, die hoog werd geroemd. Daar leerden de jonge mannen voor priester of werden zij ook wel voor het meer praktische leven degelijk opgeleid. Van heinde en verre kwamen de leergierigen naar het stadje. Van de enkele arme visser schuiten, die er vroeger hadden gestaan was niet veel meer te bespeuren. Nu stonden er, buiten de school, grootte gebouwen, waarin de producten, die de vele schepen aanvoerden, werden opgeslagen. Nu waren er werven, waar den ganzen dag naarstig werd gehamerd en geschaafd ten behoeve van de scheepvaart. Nu liepen de bootten in en uit en brachten nijverheid en rijkdom en drukte. Snel bloeide Griend. En over het stadje waakten de scherpe ogen en de verheugde, vrome harten der Lidlummer monniken, die de weg tot welvaart en roem hadden gebaand, De jeugd op Griend was als overal elders in de wereld en vrijde gaarne op stille plekjes onder het loover of in ‘t maanlicht. Maar waar gevrijd wordt, wordt ook geleden, en zo verging het Tjalling, de oudste zoon van Griend’s tol huiswachter. Zoet waren de uren, waarin hij met de schone en flinke Janke de dochter van een scheepstimmerman samen was. Reeds hadden zij over trouwen gesproken, toen Tjalling op een kwaden dag tot de ontdekking kwam dat zijn bruid een anderen levensgezel had verkoren en daarvoor hem verstootte. Diep was het verdriet van den verliefden jongeling. Zo groot was zijn teleurstelling en smart, dat hij zich enigen tijd later aan het klooster te Lidlum meldde en monnik werd. In het klooster beijverde hij zich om de wonden zijner ziel te helen en zijn oude liefde te vergeten. En hoe wel het leed, dat hij droeg, bij het verglijden der jaren lichter werd en hij de vreugde van het gewijde leven leerde kennen, toch doofde onder zijn monnikspij de oude, vurige liefde niet geheel. Een enkele maal moest hij namens het klooster naar Griend om daar de belangen der vrome mannen te behartigen. Dan liet hij zich vertellen, hoe het met de vriendin zijner jeugd ging, zonder dat de mensen het teveel merkten. Op deze wijze wist hij, dat Janke getrouwd was en dat zij het de eerste jaren van haar huwelijk goed had gehad. Ook wist hij, dat haar man plotseling door een ongeluk, gestorven was en zij was achtergebleven met haar kindje. Later hoorde hij, dat de vrouw haar eenzaam bestaan droevig en somber sleet. Sedert dat ogenblik leefde de oude liefde, die blijkbaar niet roesten wilde, weer geheel op in zijn borst, hoezeer hij ook tegen deze duivelse aanvechtingen streed. Ja, soms was, het hem als moest hij verder als verdediger en verzorger van de weduwe optreden. Verlangend naar het ogenblik, dat hij nader met haar in aanraking mocht komen, deed de monnik zijn werk.

‘t Was weer December geworden. Uit het Noordwesten raasde de storm, die des nachts tot een orkaan aangroeide. De bewoners van Griend en de monniken te Lidlum stonden op de dijken met angstig kloppend hart. Zij streden uit alle macht tegen de aanstormende zee, die met onweerstaanbàar en ongekend geweld de weringen beukte en brak. De Noordwester joeg de wateren over de landen… Toen in het holst van den nacht de monniken post namen bij de gevaarlijke plekken, ter verdediging van hun bezit, scheidde één monnik zich van de anderen af en repte zich in de duisternis weg. Hij worstelde Zich tegen den sterken wind in en mompelde af en toe binnensmonds: ,,Als ik nog maar op tijd kom.” Zijn weg voerde naar Griend, waar Janke woonde met haar kind. Alleen aan haar dacht hij in dezen vreselijken nacht. Het uiterste vergde hij van zijn krachten en eindelijk bereikte hij het stedeke, waar de inwoners een vruchteloze strijd voerden tegen de ziedende zee, die haar golven perste door de bressen in dijken en wallen. De mensen vluchtten op de zolders en daken der woningen, maar ook daar waren zij niet veilig. De water golf brak de muren, wierp de huizen en bomen en kerken omver en heerste in ontembare bruutheid over alles en allen. Het noodgeschrei van honderden, die in de woedende golven ondergingen, klonk den monnik in de oren. Als door een wonder bereikte hij, vechtende tegen wind en water, de woning der weduwe, waarvan de muren reeds gescheurd waren. Met haar kind had ook zij schuilplaats gezocht op den zolder, doch ze wist, dat redding niet meer mogelijk was. ,,Tjalling, Tjallingl” was alles wat de arme vrouw roepen kon, toen hij verscheen. ,,Kom, Janke… Kom vlug” Zijn sterke handen grepen haar vast en trokken haar mee. Op zijn schouders droeg hij den angstigen knaap.

,,Tjalling. ..  waarheen breng je mij?” ,, In veiligheid… niet spreken… volgen… vasthouden,” hijgde hij. ,,God moge helpen.. .” Wadende door het onstuimige water, soms half zwemmende, gingen zij voort. Op gevaar af te verdrinken of verpletterd te worden door vallende brokstukken, baanden zij zich een weg. Bovenmenselijk was de inspanning. . . En toen de wateren stil waren geworden en er niets van Griend was overgebleven, dankten drie mensen den Almachtige, die hen in den onheilsnacht had bijgestaan. ,,Ken je mij nog, Janke?” vroeg de monnik. ,,Tjalling..  Méér kon zij niet zeggen en meer was ook niet nodig. Nog langen tijd leefden zij gelukkig en genoten van elkaars liefde.
———————–
Honderden mensen verdronken. Ook vele monniken lieten hun leven. Griend was weer geworden, wat het in vroegere tijden was geweest: een zàndplaat. Een zandplaat in het midden des waters, waar de meeuwen broeden in den Zomer. Een .zandplaat, waarover zweeft de sfeer van vergane glorie. En waarover de mensen soms fluisteren, dat werkelijke liefde zelfs blijft leven onder een monnikspij.